Logo 2026 nl 700

 
 

ACHT-EN-TWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR

 + Evangelie volgens Matteüs 22, 1-14

“Nodigt wie ge er maar vindt tot de bruiloft”

   
         

In die tijd nam Jezus het woord en sprak tot de hogepriester en de oudsten van het volk in gelijkenissen. Hij zei: “Het Rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Hij stuurde zijn dienaars uit om allen te roepen die hij tot de bruiloft had uitgenodigd, maar zij wilden niet komen. Daarop zond hij andere dienaars met de opdracht: Zegt aan de genodigden: Zie ik heb mijn maaltijd klaar, mijn ossen en het gemeste vee zijn geslacht; alles staat gereed. Komt dus naar de bruiloft. Maar zonder er zich om te bekommeren, gingen zij weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn dienaars vast, mishan­delden en doodden hen. Nu ontstak de koning in toorn, stuurde zijn troepen en liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.

Toen sprak hij tot zijn dienaars: Het bruiloftsmaal staat klaar, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat dus naar de drukke verkeerswegen en nodigt wie ge er maar vindt tot de bruiloft.

Zijn dienaars gingen naar de wegen en brachten allen mee die zij er aantroffen, slechten zowel als goeden, en de bruiloftszaal liep vol met gasten. Toen de koning binnenkwam om de aanliggende te bezoeken, merkte hij daar iemand op die niet voor een bruiloft gekleed was. En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? Maar de man bleef het antwoord schuldig. Toen sprak de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem buiten in de duisternis. Daar zal geween zijn en tandengeknars.

Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren”.


 

In het evangelie van deze zondag spreekt Jezus over het antwoord dat wordt gegeven aan de uitnodiging van God – verbeeld door een koning – om deel te nemen aan een bruiloftsmaal.

De uitnodiging heeft drie kenmerken: kosteloosheid, wijdte en universaliteit. Velen zijn genodigd, maar er gebeurt iets verbazingwekkends: niemand van de uitverkorenen wil deelnemen aan het feest. Ze zeggen dat ze wat anders te doen hebben. Sommigen geven zelfs blijk van onverschilligheid, afstandelijkheid, tot zelfs afkeer. God is goed tegenover ons, biedt ons kosteloos zijn vriendschap aan; biedt ons kosteloos zijn vreugde, de redding, maar vaak aanvaarden we zijn geschenken niet, we zetten onze eigen beslommeringen op de eerste plaats, onze belangen en wanneer God ons roept lijkt het wel of Hij ons last berokkent.

Sommige genodigden mishandelen en doden zelfs de dienaren die de uitnodiging overbrengen. Maar, ondanks de afgewezen aanvaarding door hen die geroepen zijn; wordt het project van God niet afgebroken. Hij laat zich niet ontmoedigen door de afwijzing van hen die het eerst geroepen werden, Hij schort het feest niet op, maar hernieuwt zijn uitnodiging door ze met onbegrijpelijke mateloosheid te verruimen en Hij stuurt zijn dienaren naar de pleinen en kruispunten van de wegen om allen die ze er aantreffen uit te nodigen. Het gaat daarbij om gelijk wie: armen, verlatenen, ontheemden, ja zelfs goeden en slechten – ook de slechten worden uitgenodigd – zonder onderscheid. En de feestzaal vult zich met ‘marginalen’. Het evangelie, afgewezen door sommigen, wordt onverwacht onthaald in vele andere harten.

De goedheid van God kent geen grenzen en sluit niemand uit: daarom is het feestmaal van de gaven van de Heer universeel. Aan allen wordt de mogelijkheid geboden op zijn uitnodiging, op zijn roepen, in te gaan; niemand mag zich bevoorrecht voelen of het alleenrecht opeisen. Dit alles brengt ons ertoe de gewoonte te overwinnen onszelf gemakshalve in het centrum te plaatsen, zoals de hogepriesters en de oudsten van het volk deden. Dat moet je niet doen; we moeten openstaan voor de periferieën en erkennen dat wie in de marge leeft, dat zelfs wie verworpen en geminacht wordt door de samenleving, voorwerp is van de mildheid van God. We zijn allen geroepen het Rijk van God niet in te perken binnen de grenzen van het ‘kerkje’ – ons ‘kleine kerkje’ – maar om de Kerk te verruimen, tot de afmetingen van het Rijk van God. Er is slechts één voorwaarde: het feestkleed dragen wat wil zeggen getuigen van de liefde tegenover God en tegenover de naaste.

(Paus Franciscus, Angelus, 12 oktober 2014)