ZEVEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR
+ Evangelie volgens Matteüs 21, 33-43
“Hij zal zijn wijngaard aan andere wijnbouwers verpachten”

In die tijd sprak Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: “Luistert naar een andere gelijkenis: Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde; hij zette er een heining omheen, hakte een wijnpers erin uit en bouwde een wachttoren. Daarop verpachtte hij hem aan wijnbouwers en vertrok naar den vreemde. Toen de tijd van de oogst gekomen was, zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers om de opbrengst in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast. Zij mishandelden de een, doodden de ander en stenigden een derde. Daarop zond hij andere dienaren, talrijker dan de eersten; maar zij behandelden hen op dezelfde manier.
Tenslotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, in de veronderstelling, dat zij zijn zoon wel zouden ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: ‘Dat is de erfgenaam; vooruit, laten we hem vermoorden en ons zijn erfenis toeëigenen’. Ze grepen hem vast, wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem. Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan wel met die wijnbouwers doen?”.
Ze antwoordden Hem: “Hij zal die ellendelingen een ellendige dood doen sterven en zijn wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers verpachten, die hem de opbrengst op de vastgestelde tijd zullen afdragen”.
Toen sprak Jezus tot hen: “Hebt gij nooit in de Schrift gelezen: ‘De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen’. Daarom zeg Ik u, het Rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt”.
De wijngaard van de Heer Sabaot, zegt de profeet, is het huis van Israël (Jes 5, 7). Welnu, dat huis zijn wij..., en omdat we Israël zijn, zijn we de wijngaard. Laten we dus opletten dat er geen woede uit onze ranken geboren wordt in plaats van zachtheid (Ap 14, 19), opdat men niet tegen ons zegt: “Ik had mooie druiven verwacht; zij geeft echter slechts wilde druiven” (Jes 5, 4). Wat een ondankbare aarde! Zij die aan haar meester de zoete vruchten had moeten geven, heeft Hem doorstoken met haar scherpe doornen. Zo hebben de vijanden die de Verlosser zouden hebben moeten ontvangen met alle toewijding van hun geloof, Hem gekroond met de doornen van het Lijden. Voor hen betekende deze kroon een zware belediging en hoon, maar in de ogen van de Heer was het de kroon van de deugden.
Let op, broeders en zusters, dat men niet over u zegt: “Hij had mooie druiven verwacht; zij geeft Hem slechts wilde druiven”... Let op dat onze slechte daden het hoofd van de Heer niet openhalen zoals de doornen. Er zijn doornen van het hart die zelfs het woord van God hebben verwond, zoals de Heer het zegt in het evangelie als Hij vertelt over het graan van de zaaier dat tussen de doornstruiken viel, die gegroeid zijn en verstikten wat gezaaid was (Mt 13, 7).
Waak dus dat uw wijngaard geen doornen draagt in plaats van druiven; dat uw oogst geen azijn in plaats van wijn produceert. Wie oogst zonder uit te delen aan de armen, oogst azijn in plaats van wijn; en wie de oogst binnenhaalt zonder ervan te delen met de behoeftigen, zet niet de vrucht van de aalmoes opzij, maar de distels van de gierigheid.
(H. Maximilianus van Turijn, Sermon 11)
