VIER-EN-TWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR
+ Evangelie volgens Matteüs 18, 21-35
“Niet tot zeven keer toe, zeg Ik u, maar tot zeventig maal zeven keer”

In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: “Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?”.
Jezus antwoordde hem: “Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt.
Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald.
Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben.
Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt”.
Daarom moet de Kerk het als een van haar voornaamste taken beschouwen – in ieder tijdperk van de geschiedenis en vooral in het onze – dit mysterie van de barmhartigheid, dat op de meest verheven wijze in Jezus Christus geopenbaard is, te verkondigen en in het leven te realiseren. Niet alleen voor de Kerk als de gemeenschap van gelovigen, maar in zekere zin voor alle mensen is dit mysterie een bron van een ander leven dan dit, dat opgebouwd kan worden door de mens die is blootgesteld aan de sterke krachten van de drievoudige begeerte die in hem werkt.
Krachtens dit mysterie leert Christus ons juist dat wij altijd moeten vergeven. Hoe vaak herhalen wij niet de woorden van het gebed dat Hij ons heeft leren bidden Vergeef ons onze schuld zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven, (Mt. 6, 12) aan hen namelijk die zich op enigerlei wijze tegenover ons hebben schuldig gemaakt! Het is inderdaad uiterst moeilijk de unieke waarde uit te drukken van de houding die deze woorden beschrijven en inscherpen. Hoeveel zeggen deze woorden ieder mens niet over zijn naaste en over hemzelf! Immers, het besef dat allen ten opzichte van elkaar schuld hebben gaat hand in hand met die oproep tot broederlijke solidariteit die door st. Paulus is uitgedrukt toen hij nadrukkelijk vermaande dat de gelovigen elkaar liefdevol moesten verdragen.
Wat een les vinden we hier om nederig te zijn tegenover de mens en tegelijk tegenover de naaste en onszelf! Wat een leerschool van goede wil vinden we hier voor het samen leven van iedere dag en in de wisselende situaties van ons leven! Als wij deze leer negeren, wat zal er dan nog overblijven van enig humanistisch levens- en opvoedingsprogramma?
Christus spreekt met zo grote nadruk over de noodzaak om anderen te vergeven dat Hij Petrus, die Hem vroeg hoe vaak hij alles bij elkaar zijn naaste moest vergeven, het symbolische getal ten antwoord gaf: zeventigmaal zevenmaal, (Mt. 18, 22) waarmee Hij wilde aangeven dat men iedereen en ieder ogenblik moet kunnen vergeven. Het is niettemin duidelijk dat zo’n royaal gebod om te vergeven allerminst de echte eisen van de rechtvaardigen te niet doet. Want de goed begrepen rechtvaardigheid stelt grenzen aan de vergeving. Op geen enkele plaats van de evangelische boodschap betekent vergeving – evenmin als haar bron, de barmhartigheid – toegeeflijkheid voor het kwaad, voor ergernis, voor mishandeling of moedwillige smaad. Want in ieder van deze gevallen zijn herstel van het kwaad en de ergernis, vergoeding voor de mishandeling en herstel van de goede naam een voorwaarde voor die vergiffenis.
(H. Johannes Paulus II, Dives in Misericordia, 14)





